‘Iets gewoon vinden dat niet gewoon is’ (2)
Ton van Ostaden na 2½ miljoen buskilometers
PRIVATISERING
Privatiseren werd in die jaren een trend en ook de BBA moest eraan geloven. Volgens mij was het ’94 was toen Connex op het toneel verscheen. De firma Connexion schreef in het kader van een nieuwe provinciale concessieverwerving, al dan niet met opzet, te laag in. Toen bleek dat Connexion zich verrekend had, wilde de provincie geen concessies doen en hield voet bij stuk. Er ontstond een patstelling. Connexion heeft geen kilometer gereden. Er kwam licht in de duisternis toen het Zweeds Franse concern Veolia zich meldde. Deze onderneming nam het vervoer voor de tijd van zestien jaar over en bij deze organisatie zijn wij momenteel in dienst. Bij Veolia draait alles om geld en het gevoel om als werknemer een nummer te zijn, is alleen maar sterker geworden. Dat blijkt onder andere tijdens de nieuwjaarsrecepties. Die worden volledig door het personeel georganiseerd en betaald. De directie laat zich niet zien en van een financiële bijdrage is evenmin sprake. Hoe ik het keer of wend, van een relatie tussen werkgever en werknemer valt bij Veolia niets te bespeuren. Met weemoed denk ik vaak terug aan de BBA-tijd. Toen maakten we deel uit van een hechte gemeenschap en daar wilde je voor gaan. Nu zijn we uitsluitend herkenbaar aan ons uniform met de rood-wit gestreepte blouses. Over het busmateriaal mag ik niet klagen. Toen Veolia een jaar of tien geleden startte, werden uitsluitend nieuwe Volvo-bussen ingezet en die doen het tot op heden prima. De privatiseringsgolf bleef overigens niet beperkt tot Brabant. Het complete openbaar vervoer in Nederland is geprivatiseerd en daar is noch de reiziger noch het personeel beter van geworden’.
AGRESSIE
De Goirlese buschauffeur op jaren heeft tijdens zijn duizenden ritten in het hart van Brabant, ook de reiziger zien veranderen. Hij zegt hierover: ‘Dat begon al in de jaren zestig toen de provo’s hun intrede deden. Mensen werden op een nette manier losser. De mentaliteit die veranderde was in die tijd verankerd in een, doorgaans, op discipline gebaseerde opvoeding en schoolopleiding. Dat zogeheten ‘losser worden’ was tegelijkertijd een vorm van verzet juist tegen het gedisciplineerde karakter van de eerste decennia na de oorlog. Toen zich geen nieuwe grenzen aandienden werd de wijze waarop (sommige) mensen met elkaar omgingen ronduit vervelend. Het korte lontje deed zijn intrede. Zo ook de toename van agressie. Men ging iets gewoon vinden wat in feite niet gewoon was en is. Wij als buschauffeur raakten, overigens tegen onze wil, nauw bij de geschetste mentaliteitsverandering betrokken. Elke bus telt momenteel 4 camera’s en 6 microfoons. Bij het indrukken van de noodknop ontstaat rechtstreeks contact met de regiekamer in Weert. Via een eigen code wordt ‘Weert’ op de hoogte gesteld van de plaats waar de betrokken bus zich bevindt, alsmede van de aard van de problemen. ‘Weert’ alarmeert desgewenst de politie en die is binnen enkele minuten op de plaats des onheil. Via de opnameschijf kan de politie horen en zien welke ongeregeldheden zich in de bus hebben voorgedaan. De toenemende agressiviteit heeft overigens weinig met de huidskleur te maken. Ook geboren en getogen Nederlanders dragen in dit verband hun steentje bij. Het is belangrijk dat je als chauffeur je kalmte bewaart en niet te hard praat. Ook een dosis humor wil nog wel eens helpen’. Ondanks de gesignaleerde onverkwikkelijkheden zou Ton van Ostaden opnieuw voor het vak van buschauffeur kiezen. ‘Je leert met mensen omgaan en je leert ze kennen. Van binnen en van buiten. Daarnaast beschik je over veel vrijheid. Je bent per slot van rekening baas in je eigen bus’. Over hetgeen Ton na zijn laatste busrit wil gaan doen is hij duidelijk. ‘Speelgoed maken voor mijn vier kleinkinderen en meer tijd besteden aan het handboogschieten bij Sebastiaan’.
E.B.
Reageer direct op bovenstaand bericht