Er bestaan aardig wat muzikanten met een kleurrijke naam. Barry White, Frank Black, David Gray, Pink… En natuurlijk Johnny Purple. Dat is trouwens geen echte naam, maar de artiestennaam van Goirlenaar Bart Melis. De Mill Hill-conciërge vertelt over zijn muzikale helden, de toevallige geboorte van Johnny, het ontstaan van zijn feestelijke liedjes en Spotify-revenuen.

door Matthijs Lodewijks

Het zou zomaar een intro van Jambers kunnen zijn, zeker wanneer je het Vlaamse accent en de lage stem er even bij denkt. ‘Overdag werkt Bart als keurige conciërge op het Mill Hill College. Maar wanneer de avond valt, zet hij de feestzalen in ‘s lands zuidelijke contreien in vuur en vlam met zijn gepassioneerde vertolkingen van Johnny Purple.’ Want dat is wat Bart Melis doet, al dertien jaar.

Bart heeft zijn pruik en paarse kostuum niet meegenomen naar de interviewlocatie. Zijn beste humeur wél. “Ik moet hier nog steeds een beetje aan wennen”, biecht hij op. “Het is best apart dat ik hiervoor word gevraagd. En dat mensen me in het dagelijks leven als Johnny herkennen en aanspreken.”

Nirvana, Soundgarden en Rowwen Hèze

Op de eerste septemberdag van 1978 werd Bart geboren in het kraamhotel aan de Tilburgseweg. Hij groeide met zijn ouders en, wat later, jongere broer Joep op aan de Wittendijk. Muziek speelde, misschien niet heel verrassend voor een zanger, een belangrijke rol in zijn leven. “Ik luisterde veel. Mijn smaak was best breed, maar ik had toch wel wat voorkeuren. Bands als Nirvana, Pearl Jam en Soundgarden vond ik erg goed. Maar ook Nederlandstalig werk kon ik waarderen. Rowwen Hèze, bijvoorbeeld. Vooral hun rustige nummers vind ik mooi, zoals ‘Heilige Anthonius’ en ‘De Peel in brand’. Prachtige teksten!”

Barts eerste concertervaring was een optreden van de Noord-Limburgse band, in het Tilburgse Noorderligt, de voorloper van 013. Hij stond ook een keer oog in oog met frontman Jack Poels. “Tijdens een festival in Zundert kregen wat vrienden en ik toegang tot de backstage-sectie. Daar zaten de mannen van Rowwen Hèze. We schudden elkaar de hand, kregen een biertje aangeboden, babbelden wat en daarna vertrokken we weer. Hele aardige en relaxte kerels zonder sterallures.” Dat Bart later zelf volle zalen zou trekken, wist hij toen nog niet.

Tappen en zingen

Bart had op vrij jonge leeftijd al ervaring met goedgevulde zalen, al kwamen de mensen niet per se voor hem. Nadat hij in de jeugd bij VOAB voetbalde, besloot hij om te gaan keepen. Barkeepen, welteverstaan. “Daar stond ik hele zondagen achter de bar, vanaf half jaren negentig. Ik tapte veel bier en zette soms eens een nieuw cd’tje op. Dan lette ik ook op hoe het publiek daarop reageerde. Ja, ik kan wel zeggen dat muziek altijd mijn aandacht had.”

Het werken in de horeca beviel Bart. Zijn tapkunsten vertoonde hij een tijdlang bij de vermaarde, niet meer bestaande discotheek Return in Riel. “Daar begon het zingen. Af en toe pakte ik de microfoon en zong ik een liedje, soms zelfs twee of drie. ‘Hallo mooie meid’ van Peter Smulders, bijvoorbeeld. En ‘Leve de lol’ van Ed Nieman.” Ook Bart had er lol in, en het publiek reageerde goed op zijn vocale uitspattingen. Hij bleef het betere tapwerk combineren met het zingen achter de bar. Dat deed hij ook later bij D’n Brands, waar Bart de basis legde voor zijn relatie met toenmalige collega Lisette. Ze zijn al drieëntwintig jaar samen en wonen in het centrum van Goirle.

De geboorte van Johnny Purple

Johnny is ontstaan vanuit een tonpraatact van Bart. “In 2007 ontstond vanuit D’n Brands het idee om tonpraatclinics te organiseren. ‘Is dat niks voor jou, Bart?’, vroegen initiatiefnemers Cees Verhulst en CV De Luxe Bene. Nou, ik zag dat wel zitten. Achter de bar had ik altijd wel mijn woordje klaar en ik kon een aardige mop vertellen.” Niet veel later debuteerde Bart in de ton, alias Adje van de Emballage.

Bart had plezier in het tonpraten. In 2010 had hij een nieuw typetje nodig. Maar wat? “Cees Verhulst gaf me jaren eerder het advies om het dicht bij mezelf te houden. Ik vond zingen leuk, dus ik schreef een buut over een volkszanger. Mijn broer had een paars pak in de kast hangen. Zo ontstond mijn act Johnny Purple, puur toeval dus.”

Zijn eerste lied

Bart kroop drie carnavalsseizoenen in de huid van Johnny. Ambities om zijn carnavaleske alter ego uit te laten groeien tot zanger, had hij niet meteen. Maar een groepje dames die kind aan huis waren bij café Kerkzicht in Riel zorgden voor het zetje. “Ze wilden met Johnny Purple een carnavalsnummer opnemen voor hun kroegbattle.” Even later was Johnny’s eerste single daar: ‘Een geit in het café’. De geit is een verwijzing naar de geuzennaam van de Goirlenaar. En het café naar de plek waar het idee geboren werd.

Het zou allemaal behoorlijk uit de hand lopen. “Een bekende die goed karikaturen kan tekenen, maakte een Johnny-hoesje. En iemand bood aan een videoclip te schieten. In Kerkzicht natuurlijk.” De hele productie is behoorlijk onder- en overbelicht en er ging aardig wat bier doorheen tijdens de shoot, maar toch: de eerste videoclip van Johnny Purple was er. En er zouden er nog meer volgen.

Van Riel naar Giel

Ook buiten Goirle en Riel werd Johnny opgemerkt. De toenmalige 3FM-dj Giel Beelen besteedde in zijn ochtendshow in 2013 aandacht aan het fenomeen ‘carnavalskrakers’ en organiseerde een verkiezing daaromheen. Barts cafégeit kreeg veel airplay en eindigde uiteindelijk op nummer twee, een plekje boven Lamme Frans. Bart mocht aanschuiven in de studio en later ook, met andere vertolkers van het carnavalslied, aan tafel bij Matthijs van Nieuwkerk in De Wereld Draait Door.

Het was allemaal niet heel slecht voor de bekendheid van Johnny Purple. Bart pakt zijn telefoon en toont zijn Spotify-artiestendashboard: “Kijk, ‘Porseleinen pony’ is ruim twee miljoen keer gestreamd. Best wel veel. Ik kan zien dat het niet alleen in heel Nederland vaak gespeeld wordt, maar in de hele wereld. Met name in skigebieden scoort het goed.” Miljonair wordt hij er trouwens niet van. “Ik kan er lekker van uit eten gaan met Lisette, maar dan is het wel ver op.”

Veertienhonderd pubers

Bart combineert het optreden met zijn werk als conciërge op het Mill Hill College. “Dat doe ik nu drie jaar. Ik was een beetje zoekende naar een leuke baan die ik goed kon combineren met mijn optredens. Het werk is soms een beetje technisch, daar hou ik wel van. Het Mill Hill is een fijne plek. Er lopen daar veertienhonderd pubers rond die van alles uitproberen”, lacht hij. “Ze noemen me vaak ‘Johnny’. Vind ik wel mooi, maar verder houd ik Johnny en Bart wel gescheiden.”

Liedjes schrijven

Elk jaar in het carnavalsseizoen probeert Bart een lied uit te brengen. Daar gaat heel wat denkwerk aan vooraf. “Als ik een goed idee heb of ergens iets leuks zie of hoor, zet ik het in mijn telefoon. Daar blijft ongeveer twee procent van over en dat ga ik uitwerken. Ik vertel de producer wat voor stijl ik zoek. ‘Omdat ze een I(e)ris’ bevat Ierse folklore-invloeden. Mijn nieuwe single, ‘Ik hou (heel erg) fan-fare’ is wat meer uptempo. Als de melodielijn er is, ga ik met de tekst aan de slag. Soms duurt dat dagen, maar een andere keer staat het in twintig minuten op papier.”

Of Bart een geheim recept heeft? “Nee, niet echt. Wat ik vooral hoop, is dat mijn liedjes een glimlach op het gezicht van de luisteraar toveren. Ik probeer soms wat dubbelzinnigheden in mijn teksten te verwerken. Soms vertellen mensen dat ze drie keer naar een nummer moeten luisteren voordat het kwartje valt. Dat vind ik wel leuk om te horen.” En voor het aantal streams is het natuurlijk ook niet slecht.