Teetòffel, toetemie of toch tabbernaokel?
‘Tèstagmèèrege wier ik ötgeslaope wakker...’ Met die openingszin begon zaterdagmiddag 6 juni in De Refter van woonzorgcentrum Joannes Zwijsen het Tilburgs Dikteej 2026. Zestien deelnemers gingen direct geconcentreerd aan de slag. Want wie het Tilburgs niet alleen spreekt, maar ook foutloos kan schrijven, maakte kans op de Goed getòld-trofeej en de Cees Robben-wisselbokaal. Het jaarlijkse dictee vormde traditiegetrouw de afsluiting van de Taolklas van de Stichting Tilburgse Taol. Onder het toeziend oog van tientallen dialectliefhebbers bogen de deelnemers zich over Zuute Zoomerdrôome, het dictee dat dit jaar werd geschreven door oud-cursist Maarten van Es. De jury stond onder leiding van de uit Goirle afkomstige Angela van Abeelen.
door Wilma Robben
Opzichtig decolleté
De meeste lachsalvo’s kwamen niet uit het dictee zelf, maar uit de extra opgaven die de jury had voorbereid voor het geval deelnemers op een gedeelde eerste plaats zouden eindigen. In één van die vragen moest een Tilburgs woord worden ingevuld dat begon met een t: ‘Ze zaat meej der ... òn de kemuuniebaank èn de pestoor wies nie wòr dèttie kèèke moes.’ Het juiste antwoord was tabbernaokel, Tilburgs voor een opzichtig decolleté. Op de antwoordformulieren verschenen echter ook woorden als teetòffel, toepertoe, toetemie en tuutefluuters. Inventief, maar fout. Angela van Abeelen nam de meest originele vondsten nog eens door met de zaal, tot groot vermaak van deelnemers en publiek.
Liefde voor het Tilburgs
De grote winnaar werd Yoïn van Spijk (35). Opmerkelijk genoeg komt hij niet uit Tilburg, maar uit Waalwijk. Zijn familie heeft Drunense wortels. Toch ontwikkelde hij al jaren geleden een grote liefde voor het Tilburgs. “Marc-Marie Huijbregts, Fred van Boeschoten en Ferry van de Zaande hebben het vuur ontstoken”, vertelt Van Spijk. “Tilburgse schrijvers, dichters en liedjesmakers, zoals Erik van Os, houden het samen met hen brandend.” Als taalkundige leerde hij zichzelf ongeveer tien jaar geleden de Tilburgse spelling van Wil Sterenborg aan. “Ik vind het een prachtig en waterdicht systeem.” Die kennis komt hem ook van pas als eindredacteur van het Brabants boekske, waar hij onder meer Tilburgse verhalen en gedichten controleert.
Derde overwinning
Met zijn overwinning behaalde Van Spijk zijn derde zege bij het Tilburgs Dikteej. Daarmee komt een bijzonder hoofdstuk ten einde: volgens het reglement kan hij niet langer meedingen naar de Cees Robben-wisselbokaal. “Het is tof dat ik alle drie de keren dat ik heb meegedaan, de prijs heb gekregen”, zegt hij. “Maar ik voelde me ook wel een beetje opgelaten om als Langstrater weer te gaan lopen met een Tilburgse prijs.” Volgens hem laat zijn overwinning vooral zien hoe toegankelijk de Tilburgse spelling is. “Het is ook een compliment voor wijlen Wil Sterenborg en voor de Stichting Tilburgse Taol dat het spellingssysteem zo logisch en consequent is opgebouwd. Zelfs voor iemand die het Tilburgs niet van huis uit spreekt.”
Accentje
Dat de overwinning hem niet kwam aanwaaien, blijkt uit zijn eigen analyse achteraf. Zijn grootste struikelblok was opnieuw de spelling van de Tilburgse ò-klank.
“Het verschil tussen de ò en de o vind ik als dertiger soms lastig te horen. Waren het nou snòffeltjes of snoffeltjes? Eerst had ik er een streepje op gezet, maar daarna dacht ik dat woord ooit zonder accent in het online woordenboek te hebben gezien. Fout gedacht.” Ook bij de vraag over tabbernaokel ging hij de mist in. “Nu vergeet ik in ieder geval nooit meer dat een opzichtig decolleté een tabbernaokel is. Wèn schôon woord tòch wir, war?”
Hoog niveau
Volgens de jury werd het dictee dit jaar opvallend goed gemaakt. De tweede prijs ging naar Nancy Timmermans van Et Schrèèfatteljee. Rico Govaerts van de Taolklas eindigde als derde. Tijdens het nakijkwerk zorgde Erik van Os met zijn Tilburgse liedjes voor ontspanning. Na de prijsuitreiking werd nog lang nagepraat over spelling, dialectwoorden en gemiste accentjes. Hoewel het dictee draait om het Tilburgs, zijn de gebruikte spellingregels ook herkenbaar voor veel andere dialecten in Midden-Brabant. Daarmee valt er ook voor Goirlenaren genoeg te herkennen én te leren.
De organisatie ziet het hoge niveau als een mooi resultaat van de Taolklas en als bewijs dat de streektaal nog altijd springlevend is.
