Een dubbelinterview door Norbert de Vries en Ben Loonen

Op dinsdagmorgen 24 maart met weersverandering in de lucht sta ik voor de deur van Hoogeindseweg 62. Mocht ik twijfelen over het huisnummer dan geeft het oude logo van “Goirle blijft!” me de zekerheid dat ik bij dr. Leonard M. H. Joosten ben aangekomen. Een zevental minuten eerder dan Norbert. Mijn vraag hoe het met hem gaat verdraagt geen uitstel. En zijn antwoord voert onvermijdelijk naar het theologisch gesprek dat we al vaker gevoerd hebben. Hij zit in zijn favoriete stoel voor zijn bureau naast het grote raam met zicht op een bloeiende achtertuin, de transistor radio staat aan, op zijn bureau ligt de krant uitgespreid.

Door Ben Loonen

Als de radio is uitgezet: Hoe gaat het met je? “Ja, ik blijf maar leven, ik ga maar niet dood.” Wil je niet meer leven? “Nee, het is genoeg geweest, ik ga liever vandaag dood dan morgen.” Vind je er niets meer aan? “Nee, het is genoeg geweest.” Ga je daar zelf wat aan doen, ophouden met eten en drinken? “Nee, ik denk niet dat ik dat kan: het eten smaakt me voortreffelijk en het glaasje wijn smaakt ook nog steeds.” Dan word je wel 100, zeg ik.

Leo Joosten (Neerkant, 1929) werd 95 jaar op 14 juli 2024; het werd groots gevierd op het terras van klooster Nieuwkerk. Een week eerder werd hij getroffen door een (eerste) herseninfarct dat hem voor een groot deel afatisch maakte. De man met de smakelijke verhalen en anekdotes, de man van het bon mot, kon niet meer op het woord “woord” komen. Hij zat wezenloos te kijken op zijn eigen feest, toespraken en liederen te zijner ere gingen grotendeels aan hem voorbij. Maar het trok bij, hij krabbelde op. Met thuiszorg, mantelzorg van buren, vrienden en zijn nichten, kon hij zelfstandig blijven wonen en zijn leven voortzetten. Maar hij had wel “een jas uitgetrokken”: woorden vinden bleef moeilijk, het gaan was onzeker geworden ondanks trouw uitgevoerde oefeningen van spieren en ledematen. Zijn sociale bewegingen bleven intact (probusclub, tertulia, bezoek aan vrienden), maar het stralende middelpunt was hij niet meer; op de vrijdagmorgenbijeenkomst in CC Jan van Besouw is hij een aangename, weldoende, maar zwijgende aanwezigheid. Hij volgt het allemaal, is geïnteresseerd, maar een deelname aan het gesprek … das war einmal. Die Welt ist ihm abhanden gekommen.

Leo, heb je een eigen antwoord gevonden op de oude catechismusvraag: waartoe zijn we op aarde? “Nee, ik geloof het niet, nee dat heb ik niet gevonden.” Maar je weet nog wel het oude antwoord? “Ja: we zijn op aarde om God te dienen en daardoor in de hemel te komen.” Maar heb je echt niet gedurende je lange leven een eigen invulling kunnen geven? “Nee, ik zou het niet weten. Wat zou jij dan zeggen”, vraagt hij mij. Nou, als ik zo naar je leven kijk – en ik kijk al heel lang naar je leven, minstens 50 jaar – zou ik zeggen: jouw antwoord is van het leven genieten, gezelligheid brengen, iets doen voor de gemeenschap. Je bent jarenlang bezig geweest met Goirle Berkendorp, de Lokale Omroep, de politiek en het publieke debat, Goirle moet blijven, het Groot Kloosterplein, met deelname aan allerlei besturen van verenigingen en stichtingen. Altijd was je van mening dat het ook gezellig moest zijn, en je hebt van het leven kunnen genieten met goede vrienden en interessante mensen om je heen. “Ja, ja, dat is wel zo, maar dat is niet het antwoord van het geloof.” Leo, geloof je in God? Er is die Italiaanse theoloog/filosoof Vattimo die als antwoord geeft: ik geloof dat ik geloof. Leo heeft een variant: “ik geloof dat ik niet geloof. Nee, ik geloof niet dat God bestaat, er is geen bewijs.” Je hebt je altijd een “cultuurchristen” genoemd, nog steeds? “Jawel, zo ben ik opgevoed en opgegroeid, ik interesseer me nog altijd voor katholieke zaken.” Zoals? “Het CDA. Ik heb op Steven de Groot gestemd, de zoon van Marije en Frans; het is een aardige jongen, en zijn ouders hadden me gezegd dat je hem heel blij kon maken met een stem op hem.”

Intussen is Norbert gekomen, ik zeg hem dat we het metafysisch gedeelte van het gesprek al hebben gehad, wat hij mooi vindt. We sjokken naar de keuken, waar Leo koffie maakt voor mij en voor hemzelf. Norbert hoeft niets en kijkt intussen naar een ingelijst antiek plakkaat ‘Volle aflaat verstrekt door Pius XI in 1934’, een erfstuk van zijn oudste broer; het heeft 25 gulden gekost. Daarna gaat het gesprek volgens lijnen die in het co-interview te lezen zijn. Ten slotte komen we uit bij de toestand in de wereld. Leo (1929) heeft heel bewust de Tweede Wereldoorlog meegemaakt, hij schreef zijn proefschrift over de katholieke fascisten rond de oorlogsjaren, een proefschrift dat nog tot op de dag van vandaag geciteerd wordt. Een paar weken geleden wuifde hij de gedachte aan een Derde Wereldoorlog weg, maar op 24 maart 2026 is hij daar niet meer zo zeker van. Hij zegt: “het kan opeens zo ver zijn, alle tekenen zijn zeer verontrustend. We kunnen alleen overleven als we verenigd zijn, als Europa verenigd blijft en zich sterk maakt.” 5% voor bewapening? “Ja.” Ook ten koste van de verzorgingsmaatschappij? “Ja.” Europa met eigen kernwapens? “Ja.” We hebben het over Duitsland dat zijn Taurusraket niet durft te leveren waarmee Oekraïne Rusland echt pijn kan doen. “Ja, Duitsland ... dat ligt gevoelig: als Duitsland dat doet heb je de Derde Wereldoorlog.”

We hebben een uur gepraat. Toch weer de hele wereld besproken, de hemel en de aarde. Het gesprek heeft Leo vermoeid en hij is gaarne bereid er een einde aan te maken. We wisselen groeten uit namens onze echtgenotes, en tot ziens vrijdag bij tertulia. In de voortuin laat de tulpenboom haar rozige bladeren vallen. De wind gaat harder waaien, volgens de weersvoorspelling komt er regen, hagel, natte sneeuw, donder en bliksem.

DR. JOOSTEN EN DE GOIRLESE IDENTITEIT

door: Norbert de Vries

Eerst een bemerking omtrent de Tulpenboom versus de Magnolia (ofwel de Beverboom). Ik meen, dat het een magnolia is, daar in de voortuin van Leonard Joosten Esq. Nee, weest gerust, geen botanisch vertoog hier, maar een literaire anekdote over een aanvaring tussen Boutens en Thijm (Lodewijk van Deyssel). Het gebeurde tijdens een lunch in 1935, waar Thijm van een hem door Boutens geoffreerde dure sigaar slechts enkele trekjes nam om hem vervolgens langzaam en grondig uit te drukken. Boutens sprak: ‘Mijnheer Thijm, u bent een ploert.’ De sfeer was daarmee op slag verziekt. Na een tijdje was Thijm verdwenen. Men zocht maar vond hem nergens. Tot de jonge schilder Kees Verwey, die ook aanzat, eens buiten ging kijken. Het regende een beetje, en in de donkere tuin zag hij Thijm onder een boom staan, een magnolia. De schrijver huilde. Eerbiedig nadere Verwey hem en vroeg: ‘Waarom weent gij, meester?’ Waarop Thijm sprak: ‘De heer Boutens heeft mij onheus bejegend.’ Enfin, er is over dit incident in 1972 in De Gids uitvoerig geredetwist. Klopt dit verhaal? Volgens de Thijmisten niet. Een belangrijk argument daarbij was die magnolia. Het woord ‘magnolia’ kwam immers niet in Thijms idioom voor. Thijm zou nooit van een magnolia maar van een tulpenboom hebben gesproken, zoals - aldus Bomans - wij, Thijmisten onder elkaar, in navolging van Thijm, een ‘Weense schijf’ prefereren boven een ‘Wiener Schnitzel’!

Genoeg, genoeg hierover

Ootmoedig neergeknield aan Leo’s voeten

Ietwat verlaat betreed ik de woonst van Lennart, Leonard, Leo. De zware onderwerpen heeft Ben Loonen intussen gelukkig al behandeld, zodat we speels door het leven van onze gastheer kunnen huppelen. Gezellige kout. Het roept een herinnering op aan de onsterfelijke Pa Pinkelman: ‘Gezeten achter een weldoortruffeld kippetje, te midden van gelijkgezinde vrienden en met een glas wijn onder het bereik van zijn rechterhand, bloeide zijn ziel als een tulpenboompje in de maand Mei.’ Welaan, het is geheel en al conform onze situatie, maar dan zonder kippetje, met koffie in plaats van wijn, en eventueel een magnolia in stede van een tulpenboom.

We zitten gereed en mijn pen beweegt al in de richting van mijn schrijfblokje. ‘Spreek, meester.’ En hij steekt van wal. Het gaat van Neerkant naar Deurne, naar Eindhoven, Nijmegen, Tilburg, Breda, naar de eindbestemming Goirle, waar hij in 1960 arriveert. Hij deelt zijn leven in keurige partjes van 7 jaren in, hetgeen een zekere wetmatigheid lijkt te impliceren. Heb je wel gehoord van de zevensprong? Zó ging het, en moest het wel gaan. Anderzijds blijkt uit zijn verhaal welke grote rol het toeval in zijn leven heeft gespeeld. Het wondere toeval naast de ijzeren wetmatigheid. Is dat trouwens niet ieders verhaal? Maar ter zake. Laten we alles vóór Goirle vergeten en veronderstellen, dat Leonard, naar het voorbeeld van de Baron von Münchhausen, zich in Neerkant naast een op Goirle gericht kanon opstelde, en toen dat werd afgevuurd, als de bliksem op de kanonskogel sprong. Onderweg heeft hij zich, anders dan de baron (die halverwege toch bedenkingen kreeg: hum, wat staat mij daar te wachten?, en fluks op een kanonskogel overwipte die uit tegengestelde richting kwam) niet bedacht.

Goirle dus.

Jonge honden

Het Goirle van de jaren zestig en zeventig was een groeigemeente. Er werd gebouwd dat het een aard had. Tal van nieuwkomers vestigden zich hier, en Goirle veranderde. Leo: ‘Die inwijkelingen, veelal jonge honden zal ik maar zeggen, vonden elkaar bij de partij Goirle ’62. Het initiatief werd genomen door Tuut van Puijenbroek. Zij pakte het telefoonboek en ontbood allen die een academische titel bezaten bij haar thuis op Huize Anna. Zo ging dat in die tijd. Eigenlijk hield Goirle ’62 het midden tussen een politieke partij, een debating club en een sociëteit.’

Namen? Nou, in 1962 kwamen we met twee man in de raad: huisarts Lüger en psycholoog Boon. Meer namen? In 1986, dus 24 jaar later, was de partij nog steeds alive and kicking. Op het affiche lezen we de namen van Frits Molkenboer, Cees Dijkmans, Ruth Aarts, Willem Admiraal, Gerard Cox, Pieter Ghering, Ton Hooft, Luc van der Plas, Ger Rodenburg, Hans de Rooy, Joep Coehorst, Marije de Groot, Cees Boon, Dries Aussems, Peer Bedaux, Carl Covers, Frans Jochems, Leo Joosten, Mieke van Keep, Angeline van Spaendonck, Cas Vroom, en Eduard van Wesemael. Waarlijke, onvervalste kopstukken allemaal, behalve Ton Hooft, want dat was een hoofdstuk. ‘Was’, want naast Ton is het merendeel van bovengenoemden inmiddels tot hunne vaderen en moederen verzameld.

De jonge honden van toen zijn nu hoogbejaard en blaffen niet meer, maar tsjonge wat hebben zij veel bijgedragen aan het nieuwe Goirle! En hierbij mag in bijzondere mate aan Leo Joosten worden gedacht. Van de Lokale Omroep Goirle tot het Genootschap tot Bevordering van het Publieke Debat, en alles daartussen. Goirle Berkendorp, het Groot Kloosterplein, en noem maar op.

Identiteit

Ik laat met verschuldigde hoogachting onze gastheer aan het woord. ‘Wij, nieuwe Goirlenaren, vonden elkaar in ons streven om bij te dragen aan de Goirlese publieke zaak. En het mooie was, dat Goirle daarvoor open stond. Dat is trouwens geen vanzelfsprekendheid. Het tekent de kracht en klasse van Goirle dat we de kans kregen om in harmonie met de, wat ik maar zal noemen, autochtone Goirlenaren mede vorm te geven aan de Goirlese identiteit. De berkenboom bijvoorbeeld is daarvoor een symbool, zoals ook het plan om een nieuw dorpshart te creëren op het vergrote Kloosterplein.’

Pickwick Club

Ik peins intussen en denk: dat Goirle ’62 lijkt toch wel in veel opzichten op de fameuze Pickwick Club met Leo Joosten in de rol van Samuel Pickwick, Esq., G.C.M.P.C. (General Chairman – Member Pickwick Club), een genootschap waarvan de geschiedenis minstens teruggaat tot 12 mei 1827. Ik acht het zonder meer denkbaar dat de heer Joosten geen zwaar proefschrift over ‘Katholieken en fascisme in Nederland: 1920-1940’ zou hebben geschreven, maar aan zijn club een lichtvoetig, of eventueel zelfs wel lichtvaardig geschrift zou hebben voorgelegd, getiteld: ‘Gissingen omtrent de bron van de Ley, met enkele observaties aangaande de theorie van de stekelbaarsjes’.

Ja, humor was een wezenlijke, onmisbare pijler voor het werk van Goirle ’62. Toen was de politiek nog plezant en genietbaar.