Wat een reisgids is hoeven we tegenwoordig niemand meer te vertellen. Hoeveel hebben we er in de kast staan? Rond 1900 en 1910 was dat niet zo vanzelfsprekend want reizen was iets dat voor de gewone Goirlese mens niet weggelegd was, zij hadden al genoeg aan hun hoofd om dat boven water te houden.
Toch bestaat er zo’n gidsje, eentje met de hand geschreven door Albert Baron de Meester de Betzenbroeck van Nieuwkerk.
door Gerrit van Heeswijk
“Histoire et poesie sur Nieuwkerk”
Onder deze titel schreef Albert de Meester de Betzenbroeck rond 1918 een boekje over Nieuwkerk en de directe omgeving. En dan wordt met “geschreven” ook echt “geschreven” bedoeld: hij deed het met de vulpen. In diezelfde tijd voegde hij er nog een tweede boekje aan toe met grotendeels dezelfde inhoud onder de titel “Quelques notes sur Nieuwkerk et environs”.
Beide boekjes werden met de hand geschreven en dat mag toch echt een prestatie genoemd worden: bijna geen enkele doorhaling in beide boekjes, dus er is nagedacht over wat en hoe te schrijven. Daarbij werden beide boekjes verluchtigd met vele tekeningen waarmee de Meester de Betzenbroeck liet zien dat hij ook die kunst meester was: met die tekening in de hand kan men sommige huidige gebouwen nog probleemloos opzoeken.
Op de eerste bladzijde schrijft de Meester “Deze brochure over Nieuwkerk is geen reisgids, ze wil alleen wat inlichtingen geven aan de toerist die deze vergeten hoek van de Kempen wil verkennen. Dat wil ik nog wel een reisgids noemen aangezien hij erin vertelt welke weg je moet nemen om ergens te komen en dan ook nog van alle plekken vertelt wat er te zien is en hoe mooi het wel is.
Kopieën
De handgeschreven boekjes, lijken bij nadere lezing een soort lofzang te zijn op Nieuwkerk en zijn omgeving. De geschiedenis van het gebied wordt verteld met aandacht voor de heren van het gebied en de moeilijkheden die de inwoners van Goirle en Tilburg ondervonden bij de uitoefening van de katholieke eredienst en de wens om de mis bij te wonen. Hiervoor vertelt de Meester alles wat hij weet van de grenskerken en kapellen.
Zo schrijft hij op een gegeven moment: “Nemen we de weg naar het klooster van de paters van de H. Familie en lopen een kwartier rechtdoor, laten de weg naar Aerle links liggen evenals de werkmanshuizen dan zien we even verder een prachtig uitzicht: in de verte achter ons Tilburg met zijn fabrieken, de bossen van Gorp, de toren van Hilvarenbeek, Goirle en zijn hoge schoorstenen, voor ons de kerk van Alphen, links die van Baarle-Nassau en Baarle-Hertog en Chaam iets naar rechts, Gilze en Riel en voor ons de sparrenbossen; een oase in de wildernis.”
Hij moet op een plek gestaan hebben die er niet meer is want waar vinden we nog een dergelijk uitzicht? Ontginningen en bebossingen van de afgelopen honderd jaar hebben dit uitzicht aan het oog onttrokken.
De wandeling naar Goirle beschrijft hij als volgt: “Laten we de beukenlaan nemen, dicht bij de brug van Nieuwkerk die achter het hotel langs gaat (Hotel du Golf, GvH), de weg gaat verder en een voetpad dat we nemen loopt over de heide tussen enkele dennenbomen door. In deze streek overheerst de rust, een wulp hangt in de lucht, hoefsporen van een paard staan in het zand; de mens is afwezig, een enkele vogel is te zien in tegenstelling tot het wild. Na diverse bochten komt men op de verharde weg waar we links af slaan en lopen nog een half uur over een beschaduwde weg en komen dan in Goirle aan, een dorp van 3000 inwoners.
We zien hier verschillende grote fabrieken en mooie moderne villa’s. De huizen zien er schoon uit zoals overal in Nederland. De kerk die aan Sint Jan gewijd is laat aan de buitenzijde niets speciaals zien maar een bezoek aan het interieur is de moeite waard. De kerk is gebouwd door architect Cuijpers die meer monumenten in Nederland heeft ontworpen. De weg gaat langs de kerk naar Tilburg (huidige Tilburgseweg) en is zo de kortste weg naar het station.
Zo verder zoekend naar verwijzingen vonden we in het archief van Tilburg nog zo’n boekje dankzij enkele zinnen in een exemplaar van het blad Argie van schoolclub ArGeMo, een club studenten van het Mill-Hill-College dat geleid werd door de onlangs overleden oud-pastoor van de H. Geestkerk Willem Spann.
Om het verhaal af te kunnen maken leek een portret van de schrijver een mooie illustratie te kunnen zijn. Via Baron Eric de Jamblinne de Meux van Nieuwkerk kwam zo’n portret tevoorschijn maar òòk de mededeling dat ook hij een boekje van de Meester de Betzenbroeck bezat. Ook dit boekje werd ingescand en vergeleken met de andere exemplaren en weer was de volgorde van de onderwerpen iets anders. Ook stonden er weer tekeningen in die in geen enkel ander boekje voorkwamen.
Blijft slechts over de vraag waarom Albert de Meester de Betzenbroeck, eigenaar van Nieuwkerk, vijf boekjes met bijna dezelfde tekst heeft geschreven en voor wie en voor wat. Was het een relatiegeschenk? Was het echt geen reisgidsje? Was het mogelijk voor zijn dochter of gewoon uit liefhebberij? Avonden moet hij er over gedaan hebben. Welk boekje het eerst geschreven werd is moeilijk meer vast te stellen. Maar ze zijn een prachtig beeld uit een tijd dat wij nog geen reisgidsen hadden.