Onlangs promoveerde Thijs Kemmeren op een proefschrift over de sportbeoefening in Tilburg in de periode 1840-1940. Hij lichtte zes sporten grondig door: boogschieten, voetbal, wielrennen, gymnastiek, korfbal en hockey. Tilburg is een interessante casus omdat de stad een goed voorbeeld is van de relatie tussen verstedelijking en de ontwikkeling van sport. De stad groeide tussen 1840 en 1940 van een vrij arme gemeenschap, waarin de mensen met landbouw en huisnijverheid hun brood verdienden, uit tot een van de grootste en belangrijkste textielcentra van Nederland. Tegelijkertijd ontwikkelde sport zich tot een veelzijdig fenomeen met een steeds grotere impact op de lokale samenleving. Terwijl rond 1840 nauwelijks werd gesport, kende de stad net voor de Tweede Wereldoorlog talrijke sportclubs en prima sportaccommodaties.

Ik leg de kersverse doctor een paar vragen voor.

door: Norbert de Vries

Zeg, Thijs, hoe lang heb je aan dat proefschrift gewerkt?

‘Zo’n dissertatie is het werk van vele jaren. Er zijn, zoals dat bij de meeste promovendi gaat, tal van onderbrekingen geweest, maar als ik al die tussenpozen buiten beschouwing laat en alles aaneensluit, dan heb ik er zes jaar aan gewerkt. Soms gaat het werk voorspoedig, en dan weer loop je vast, maar gelukkig zijn er dan steeds weer mensen die je weer op weg helpen. Zo iemand als Paul Overmeer bijvoorbeeld, mijn leermeester van het eerste uur.’

Geschiedenis en sport, dat zijn toch geen gezworen kameraden, nietwaar?

‘Klopt! In de jaren tachtig, de tijd dat ik geschiedenis studeerde, bleek het voor een student ‘not done’ iets met sportgeschiedenis te doen. Er was simpelweg geen enkele wetenschappelijke sporthistorische belangstelling. Historici hielden zich met van alles bezig behalve met de geschiedenis van sport en bewegen. Maar voor mij lag dat anders. Ik heb altijd belangstelling voor geschiedenis en sport gehad. Na de sportacademie ging ik de vondopleiding MO I en II geschiedenis volgen. Dat was uit persoonlijke interesse, maar had ook te maken met het toenmalig grote overschot aan gymnastiekleerkrachten. Om een baan te kunnen houden ‘moesten’ onderwijzers en leerkrachten breder inzetbaar zijn, reden voor velen om, naast hun baan, MO- en LO-studies te volgen. Voor mij werd dat geschiedenis.’

En alle geschiedenis is lokale geschiedenis, toch?

‘Inderdaad, het bekende adagium van mijn promotor Arnoud-Jan Bijsterveld, bijzonder hoogleraar Cultuur in Brabant. Ik heb destijds (dat was in 1987) mijn doctoraalscriptie gewijd aan een studie van de veranderingen in Goirle in de periode 1850-1915 (Goirle, Bevolking en Bestaan). Dat kreeg een vervolg in de serie Twee Eeuwen Goirle (1988-1992) waarvan ik hoofdredacteur en coördinator was. En dat liep weer door naar de vijf jaarboeken (1995-1999) van de heemkundige kring De Vijer Heertganghen. Het was in Goirle een bloeiperiode van lokale geschiedschrijving.’

Je gebruikt in je proefschrift de drie begrippen identiteit, diversiteit en distinctie om een kader te geven aan de bijdrage die de sport leverde aan een toenemende betrokkenheid van burgers op elkaar en op de stad. Kun je dat kort toelichten?

‘De sociaalgeografische, economische en religieuze diversiteit van mensen nam toe. In de sportbeoefening werden deze verschillen zichtbaar in het onderscheid tussen geboren Tilburgers en nieuwkomers, tussen wijken en parochies, tussen mannen en vrouwen, en tussen verenigingen van verschillende religieuze achtergronden. De Tilburgse sportverenigingen groeiden vanaf het begin uit tot trefpunten waar leden met dezelfde belangstelling en achtergrond elkaar ontmoetten. De groeiende populariteit van de diverse sporten kwam voort uit een ingewikkeld proces waarin initiatiefrijke sportmakelaars, het onderwijs, jeugdorganisaties, lokale ondernemers, de katholieke kerk en de pers actief waren. De gemeente deed er voor 1940 nauwelijks toe. Terwijl de verschillen tussen de sociale groepen op een aantal terreinen minder groot werden bood sport de mogelijkheid tot distinctie, sociaal en geografisch. Ballotage zorgde ervoor dat een sportvereniging zich binnen een bepaalde sport kon onderscheiden. Als (internationaal) cultureel verschijnsel was en is sport een platform voor geografische distinctie op wijk-, lokaal, regionaal en nationaal niveau.’

De rol van de pers was daarbij erg belangrijk, hè?

‘Ja, sport is bij uitstek een onderwerp waarover je spannend en enthousiasmerend kunt schrijven. En vroeger konden de sportjournalisten ook nog eens prachtig schrijven. Ik citeer uit De Revue der Sporten 1934:

De Brabantsche volksaard toch neigt als het ware vanzelf naar een sport, die naast een krachtig lichaam, taai doorzettingsvermogen vereischt, een brandende eerzucht en een moreel, dat opweegt tegen de, meest onverwachte tegenslagen. Uit den noesten arbeid om uit schralen heidegrond het dagelijksch brood te winnen, verkreeg het Brabantsche volk krachtige, pezige lichamen, in de vele tijden van onderdrukking verwierf het zijn beroemde humor en aanpassingsvermogen en den onwrikbare wil om zich er boven uit te werken. Het is dan ook begrijpelijk, dat hier uitstekend materiaal moest liggen.

Het is, als je dit leest, niet meer dan logisch dat Tilburg een superkampioen als Jan Pijnenburg, de Kanonbal, heeft voortgebracht.’

Ja, en Goirle een Ireen Wüst. Rijke oogst van schrale grond, om de titel van een boek uit 1991 te citeren.

Tot slot graag nog iets over de wielerbanen, zoals onze Goolse TWEM.

‘Leuk, want waar die Goolse baan gelegen heeft, daar woon ik nu. In onze regio had je tal van wielerbanen. De diverse grote en kleine wielerbanen, en wielerevenementen met nationale en internationale sterren versterkten het imago van Tilburg als wielerstad met Jan Pijnenburg als meest prominente vertegenwoordiger. Ieder kind in Tilburg wilde de nieuwe Pijnenburg worden. Lees uit de voornoemde Revue der Sporten het volgende:

Vroeger mag de Brabantsche volksjongen op de schoolbanken gedroomd hebben een kei van 'n voetballer te worden, nu weet hij alles van wielrennen, van jachten, demarrage, soigneurs en masseerolie tot wieltjespakkerij en combine toe. Hij wil niet meer v. d. Meulen of Van Heel worden, hij wordt immers een Jantje Pijnenburg. Voetbal? bijna 'n legende, wielrennen, dat is werkelijkheid. Maar de moeders en de vaders denken met weemoed aan den tijd toen zij nog schatplichtigen waren aan den haast legendarische King Soccer.. (NTC 1934)

In ieder geval, de Twem (de Tilburgsche Wieler- En Motorbaan) heeft maar kort gefunctioneerd: de bochten waren te steil. Gebouwd in 1921, failliet in 1925. De betonnen baan werd gesloopt, en het puin werd gebruikt voor de Zuiderzeewerken.

Dank, Thijs, en proficiat. Een zeer interessant proefschrift!